Dit ruitvormig rederijkersgedicht is geschreven in rebus-vorm: de figuren moeten worden gedecodeerd om de boodschap te ontcijferen. Dit speels gedicht was een typische vorm van amusement en intellectueel spel in rederijkerskamers in de Lage Landen in de 15de en de 16de eeuw.
De tekst werd door prof. Paul De Keyser ontcijferd als een vierregelig vers ter ere van de Heilige Maagd: “Pute botmuylen int Ghelove Maria Laecken / Die wel Christus kercke ganslijck willen minnen / Breecken accoord deur Tweedracht saeyen hem onderstaecken / End’ scheren veel schapen met valschen sinnen.”
Volgens een niet langer te verifiëren traditie zou het blazoen afkomstig zijn uit de Gentse rederijkerskamer Marien Theeren, gevestigd in de Sint-Jacobskerk. De Keyser, die het stuk terecht omstreeks 1600 dateerde, formuleerde de hypothese dat het paneel afkomstig is uit een rederijkerskamer in Zuid-West-Vlaanderen en later aan de Gentse Mariakamer werd geschonken.