Driearmige kandelaar op een ronde voet, met een gecanneleerde stam. De kandelaar is bijzonder rijkelijk versierd. Centraal springt de vaasvormige bekroning op, waarin de drie armen met kaarsenhulzen zijn bevestigd. De bekroning wordt versierd door een lauwerkrans waarin een pijlenkoker en een bloemenkrans zijn verwerkt. Op de rand van de voet bevinden zich de volgende merken: de Gentse stadskeuren (een helm en een gekroonde G), het jaarletterteken voor 1781 en het meesterteken van de edelsmid Paulus.
Deze kandelaar en zijn tegenhanger (inv. 00898.2-3) behoren tot de meest uitzonderlijke exemplaren van Gentse makelij. Slechts enkele meerarmige kandelaars uit de 18de eeuw zijn bekend, waaronder een paar tweearmige van dezelfde zilversmid uit 1785 (privéverzameling). Dit kan verklaren waarom men ze vroeger als creaties van de bekende edelsmid P.J.J. Tiberghien (1755-1810) beschouwde.